‘Ik ga door tot ik er bij neer val’

TREF 8 - Jan grootTREF 8 – Jan Dekker is schoorsteenveger. Hij heeft het syndroom van Klinefelter en lijdt aan polyneuropathie. Door de laatste aandoening wordt het voor hem steeds moeilijker om z’n vak uit te oefenen. Maar Jan is vindingrijk. Tot voor kort werkte hij met een hoogwerker, waarmee hij indien nodig met z’n rollator het dak op kon. Nu heeft hij een hardwerkende medewerker die het zware werk doet, terwijl Jan ‘socialized’ met z’n klanten. Volgend jaar wordt hij 65, maar hij wil nog wel zo’n twintig jaar door. ‘Mijn werk is een soort pijnbestrijding’, legt hij uit.

Wat is dat voor ziekte: polyneuropathie?



Dat is een ziekte waarbij de uiteinden van de lange zenuwen doodgaan. Als ik bijvoorbeeld een moertje aan een boutje wil draaien, ben ik daar een halve dag mee bezig, omdat het moertje en ook het boutje steeds op de grond vallen. Het is een pijnlijke ziekte en daarom slik ik opiumpillen. En daarom werk ik: werk geeft mij afleiding. Zonder werk en zonder opiumpillen kruip ik langs het plafond van ellende. Dertig jaar geleden hebben ze deze ziekte bij mij geconstateerd, toen was ik nog aannemer. Op een gegeven moment wilden mijn handen niet meer, waardoor ik met een slijpschijf door m’n been joeg. In het ziekenhuis zeiden ze dat ik polyneuropathie had. Ik vroeg: wat is dat, kun je dat eten, ga je er dood aan? Nee, zeiden ze, je kunt het niet eten en je gaat er ook niet dood aan. Ik zei: dan is er toch niks aan de hand? Ze zeiden: ja, maar op het laatst kun je niks meer. Ik zei: dan ga ik door tot ik niet meer kan. Toen ik vroeg wat de oorzaak van polyneuropathie was, zeiden ze dat er drie antwoorden mogelijk waren: óf ik had teveel gedronken, óf ik had te hard gewerkt, óf ze wisten het niet. Ik besloot dat antwoord drie het enige juiste antwoord was. In de loop van dertig jaar is mijn lichamelijke toestand langzaam verslechterd. Maar met die rollator kan er niks mis gaan. Op een ladder is het eigenlijk voor mij ook veiliger dan gewoon op straat, omdat ik me dan vast kan houden. Ik zeg altijd tegen m’n medewerkers: als ik val, gewoon drie keer laten stuiteren.

Heb je altijd medewerkers gehad?
Ik ben nu vijfentwintig jaar schoorsteenveger en soms had ik medewerkers en soms niet. De vorige veroorzaakte schade met de hoogwerker die ik toen had, we kregen een meningsverschil over wie het eigen-risico-bedrag moest betalen. Daarvoor had ik een medewerker met hoogtevrees, dat was ook niet wat. Ooit had ik een vrouwelijke medewerker, maar die woont nu samen met mijn ex. Ik denk dat ik in totaal vijf of zes medewerkers heb gehad. Momenteel heb ik een Pool in dienst. Hij heet zwrdçwzssddwitsj of zoiets, dus ik noem hem Zibi. Hij heeft in Polen vrouw en kinderen en een groot kringloopbedrijf dat gerund wordt door kennissen. Hij woont drie weken bij mij in huis, en dan gaat hij naar Polen met een auto vol kringloopspullen en na een week komt hij weer terug. Zo gaat dat elke maand. Ik heb hem voor een half jaar aangenomen. Als hij dan nog niet gillend is weggelopen neem ik hem aan tot ik ga hemelen. Het is makkelijk, zo’n Pool die nog geen twintig woorden Nederlands kan: daar krijg ik ook geen ruzie mee. Hoewel ik wel moest wennen. In het begin vroeg ik: heb je het verstaan? En dan zei hij: ja. Nu weet ik dat ik moet vragen: maar heb je het ook begrepen. Want dat is heel wat anders dan verstaan, heb ik ontdekt.

Waar ben je geboren?
Ik ben in het Drentse Meppel geboren en opgegroeid. Mijn vader was een weduwnaar met drie volwassen dochters toen hij mijn moeder ontmoette. Mijn moeder was een boerendochter met het motto: of je trouwt rijk of je trouwt niet. Omdat er geen rijkaard in de buurt was, trouwde ze niet totdat ze mijn vader ontmoette; directeur van Gemeentewerken, dus hij kon er mee door financieel gezien. Toen was ze al rond de veertig. Ik werd geboren toen ze dik 42 jaar was. Daarom ben ik een Klinefelter.

Een wat?
Ik heb het syndroom van Klinefelter. Dat is een erfelijke aandoening waarbij je een of meerdere X-chromosomen teveel hebt. Hoe meer X-chromosomen je teveel hebt, hoe groter de puinhoop. Ik heb één X-chromosoom teveel, dus bij mij is het een kleine puinhoop. Een op de 500 mannen heeft het. Ik wist het nooit. Mijn moeder zei altijd: je moet niet aan meisjes beginnen. Ik zei: waarom niet, ik vind meisjes best leuk. Ze zei: je moet ook niet aan jongens beginnen, je moet gewoon alleen blijven. Ze wist wel dat er iets aan de hand was, ze kwam van de boerderij en mensen die van de boerderij komen weten precies hoe de natuur werkt. Maar goed. Later ontmoette ik een lieftallige dame die in mij geloofde en daar ben ik mee getrouwd voordat ze in de gaten had met wie ze te maken had. Als paranormaal begaafde concludeerde ze dat er iets met mijn genen aan de hand was, en ze zei dat ik naar de dokter moest. Ik geloofde eerst niet in die flauwekul, maar ik ben toch gegaan. Toen bleek dus dat ik het syndroom van Klinefelter had, de mensen moeten maar opzoeken wat dat is. Ik was de vijftig al gepasseerd en eindelijk kregen al die verschijnselen die ik had een naam! Het was een openbaring en een opluchting. Alles viel op z’n plek. De relatie niet. Na tien jaar was ze me zat, ik weet niet waarom. Ach ja, ik kan het me ook wel voorstellen eigenlijk, al steek ik liever de kop in het zand. Je bouwt aan een relatie of je bouwt er niet aan. Als je er niet aan bouwt, gaat het van je af. Ik bouwde er niet aan. Ik weet nu dat je daar veel meer energie in moet steken.

Hoe was je jeugd eigenlijk?
Mijn jeugd was leuk! Gezellig, hartstikke tof! Ik zou het zo weer over willen doen. Mijn moeder was een lieve schat. Mijn vader was streng, ik heb er wel eens met een stuk hout van langs gekregen. Ik luisterde niet goed. Achteraf kwam dat misschien ook wel door Klinefelter, maar dat wist ik toen niet. Hij vond het een ramp dat ik niet gehoorzaam was, dus ik kreeg regelmatig op m’n donder. Maar ja, onkruid vergaat niet. Op een avond wenste hij me welterusten en toen dacht ik: dit was voor het laatst. En inderdaad: de volgende morgen kwam mijn moeder vertellen dat hij was overleden. Hij was zeventig, ik was vijftien. Al snel na zijn dood ging ik van de mulo: het lukte me niet, ik zat al voor de derde keer in de tweede klas. Op de LTS ging het ook niet zo goed, maar ik werd gematst omdat ik de zoon van de oud-directeur van Gemeentewerken was. Ik slaagde, ging naar de MTS en daarna werd ik dankzij oude vrienden van mijn vader bij Rijkswaterstaat aangesteld als opzichter tekenaar. Dus toen was ik ambtenaar.

Beviel dat?
Nou, het was heel leuk en aardig en prettig, maar promotie zat er niet in omdat ik niet op een normale manier was binnengekomen. Bovendien deed ik altijd gek, ik paste niet binnen de geldende cultuur aldaar. Zo liet ik me een keer als gevolg van een weddenschap in een kinderwagen van Amsterdam naar Assen duwen. Dat was niet gepast, zeiden ze toen dat via het personeelsblad bekend werd. Dus uiteindelijk heb ik ontslag genomen en toen ben ik bij een aannemer gaan werken: ik ging vangrails plaatsen. Op een gegeven moment dacht ik: dit kan ik zelf ook wel. Dus toen ben ik voor mezelf begonnen. Klinefelters durven alles tegelijk te doen, en dat gaat dus wel eens fout. Ik wilde een nieuw rijdende afzettingssysteem dat ik in Duitsland had gezien in Nederland introduceren, maar particulier initiatief mocht niet van Rijkswaterstaat. Toen ontmoette ik op de wintersport een oudere man die naar beneden kwam skiën. Ik zei: wat doe je voor de kost. Hij zei: ik heb een kippengritfabriek, maar ik ga met pensioen. Ik zei: oké, kan ik die fabriek dan niet overnemen, want dat met die vangrails is zo’n gedoe. Dus toen ben ik in Hattem schelpen gaan vermalen tot kippengrit. Ik had een mooi systeem bedacht met een lopende band naar de IJssel, waarop het kippengrit zo in schepen geladen kon worden. Maar de bank had er geen zin meer in en er kwam gedoe met de gemeente: er waren allerlei vergunningen voor nodig. Dus exit Kippengritfabriek. Ik had een miljoen gulden schuld, maar ik heb door verkoop van onroerend goed alles af weten te lossen.

Wat ben je toen gaan doen?
Ik heb nog een blauwe maandag pannenkoeken gebakken, ik bakte er 855 op een dag. Verder ben ik een lerarenopleiding Techniek gaan volgen, maar ik kan niet voor de klas staan. Ik heb geen overwicht. En toen kwam er op een dag een schoorsteenveger bij mij over de vloer om de schoorsteen te vegen en ik dacht: jongens, ik heb tot nu toe alles verkeerd gedaan, ik word schoorsteenveger. Waarom? Nou, hij veegde twee schoorstenen, liet me zelf de troep opruimen en vroeg toen zeventig gulden. Ik ben naar Duitsland gegaan, leerde het een en ander over schoorstenen, bedacht dat je beter met borstels aan flexibele stokken kon werken dan aan een touw, en zo gebeurde het. Nu werken we met een flexibele kabel die op een haspel zit. Ook de veegtechniek blijft innoveren. Ik heb nu iets van 1800 klanten. Beetje teveel, want Zibi en ik kunnen er iets van 1500 per jaar aan: acht op een dag, keer vijf dagen per week, keer drie weken per maand, keer twaalf. Maar ja, ik heb genoeg concurrentie om me heen: allemaal mensen die ik het vak heb geleerd en die zelfstandig verder zijn gegaan toen ze genoeg van me hadden.

Wat maakt je tot een goede schoorsteenveger?
Volgens mij bestaan er geen slechte schoorsteenvegers. Ik ben wel precies, ik wil geen troep. Daarom ben ik wel een lastige baas voor mijn medewerkers, vermoedelijk. Maar ik denk dat het een uitstervend vak is. Jonge mensen kiezen er niet meer voor omdat je er vies van wordt. En verder wordt hout steeds duurder. Soms betaal je al wel 100 euro voor een kuub hout. Dat is 1,25 x 1 x 1 meter omdat het los gestapeld is. Er worden zat losgestorte kuubs verkocht voor vijftig, zestig euro, terwijl dat eigenlijk maar driekwart kuub is. En als je zo’n zakje bij de pomp koopt, betaal je in verhouding wel tweehonderd euro per kuub. Je hebt natuurlijk ook allesbranders waarin je hout, briketten, kolen, turf en alle andere vaste brandstoffen kunt stoken, maar alles wordt duurder. En als je teveel papier stookt, gaat dat ten koste van je roestvrijstalen pijp. Maar ik denk echt dat er steeds minder schoorsteenvegers overblijven. Terwijl het een prachtig beroep is. En dan gaat het niet speciaal om het vegen, maar om het contact met de mensen, en de vrijheid die je hebt.

Volgend jaar kun je met pensioen, maar dat doe je niet?
Zoals ik zei ga ik door tot ik er bij neer val. Soms val ik er al bij neer. Ik heb een aantal herseninfarctjes gehad. De dokter zegt dat dat door de bloedverdunners komt. Hij zei: je hebt plaatjes in je bloed en die verkleven bij jou niet aan de zijkant, zoals het hoort. Dus dat schijnt niet goed te zijn. Daarom kreeg ik jaren terug al van die herseninfarcten. Ze brachten me naar m’n moeder en die zei: leg maar in bed, het gaat wel weer over. Zolang hij adem haalt is het goed. Mooi mens, mijn moeder. Ze is negentig geworden. Maar goed, ondanks alles blijf ik positief en optimistisch. Dat schijnt trouwens ook een kenmerk van Klinefelter te zijn.

Hoe kijk je terug en vooruit?
Ik vind dat ik tot nu toe een mooi leven heb gehad en ik ga gewoon door. Ik wil honderd worden. Ik weet inmiddels wel dat mijn laatste jas geen zakken heeft en mijn laatste auto geen trekhaak. Dus ik geniet er gewoon van. Wat ik het mooiste vind om te doen? Gezellig kletsen met jou en met de klanten. Zibi doet het werk ondertussen.

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Pin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someone

You may also like...

Op de hoogte blijven? Like/volg ons. Hartelijk dank voor je waardering!