Iets betekenen voor velen

TREF 160507 Miny groot

Door Mathilde van Hulzen

Open en eerlijk zijn, daar komt het volgens Miny Selten op aan. Vijftig jaar geleden legde ze de plechtige gelofte af en trad in bij de Missiezusters van de H. Familie. Als zuster Wilhelmien wijdde ze haar leven aan het helpen van anderen. Daar kijkt ze met plezier en voldoening op terug. Tegelijkertijd is ze in al die jaren steeds meer zichzelf geworden.



Toen de jonge zuster Wilhelmien voor het eerst in het dorp Baarlo fietste in haar habijt en sluier, namen oudere mannen eerbiedig hun pet voor haar af. ‘Dat was een hele vreemde gewaarwording. Ik voelde me helemaal niet anders dan toen ik nog geen zuster was, maar ik werd wel anders behandeld. Maar wat zegt dat uiterlijk eigenlijk? Je moet niet op een voetstuk worden gezet omdat je zuster bent, maar vanwege je kwaliteiten. Daar ben ik altijd van overtuigd geweest. Religieuzen zijn ook gewoon mensen, met positieve en negatieve eigenschappen. In de tijd dat ik intrad, begonnen meer mensen binnen de kerk daar zo over te denken. Ook bij mijn congregatie, de Missiezusters van de H. Familie. Aanvankelijk droeg ik dus kloosterkleding, maar hier zie je een fotootje waarop ik zelfs een mini-jurk draag. Nu heb ik al heel lang gewone burgerkleding aan. Je herkent me alleen als zuster aan mijn zilveren ring en mijn ketting met insigne: een wereldbol met een kruis. Het insigne staat symbool voor onze congregatie. Zo zien mensen toch dat je een religieuze bent en dat is goed.’

Zwarte kousen
Zuster Wilhelmien werd 74 jaar geleden geboren als Miny Selten, de oudste dochter in een Brabants boerengezin met dertien kinderen. Na de lagere school hielp ze mee in het drukke gezin. ‘Eigenlijk was dat niet de bedoeling, want mijn ouders vonden dat meisjes evenveel rechten hadden als jongens en dus mochten doorleren. Maar toen ik dertien was, kreeg ik pleuritis, een ribbenvelontsteking. Daarmee heb ik een paar maanden in het ziekenhuis gelegen. Eenmaal thuis mocht ik langzaam eerst een uurtje meehelpen, dan twee uur, enzovoorts. Zo schoof ik langzaam het huishouden in. Mijn jongste broertje werd geboren toen ik vijftien was en de ouders van mijn moeder woonden toen ook bij ons in. Elke dag kookte ik dus voor zestien mensen, de baby kreeg de fles.’

Miny’s inmiddels overleden jongste broer had een ernstige verstandelijke beperking. Haar moeder had het daar moeilijk mee. ‘Zodoende kon ik thuis niet gemist worden. Ik ben nog wel twee jaar, twee dagen per week, naar de Landbouwhuishoudschool geweest, met allemaal boerenmeisjes die daar leerden naaien en koken.’

Toch brandde er diep van binnen een vuurtje. ‘Op school lazen we boekjes over de missie en dat vond ik geweldig, dat je zo mensen in arme landen kon helpen. Dus als kind wilde ik al naar het klooster. In mijn tienerjaren stond die wens wat minder op de voorgrond en toen ik achttien was, ben ik gewoon gaan dansen. Een tijdje heeft er serieus een jongen achter me aan gezeten. Ik vond hem leuk, maar toch wilde ik geen officiële verkering. Dat vond ik niet eerlijk tegenover hem, want ik wist zeker dat ik eerst wilde ervaren hoe het zou zijn in een klooster. Als het me toch niet zou bevallen, kon ik altijd nog terug naar huis zonder iemand teleur te stellen. Dat is met een verkering toch anders.’

Toen Miny 21 was, werd haar jongste broertje opgenomen. ‘Dat vond ik het goede moment om uit te proberen of het leven als zuster iets voor me zou zijn. Ik zie het als mijn roeping om anderen te helpen. Dat deed ik thuis en dat wilde ik de rest van mijn leven ook doen. Lang van huis zijn vond ik moeilijk, maar ik had een doel en er was geen ander middel om dat te bereiken.’

In de allereerste auto van haar vader en moeder reed ze, zonder rijbewijs, in 1963 naar het klooster in Baarlo. ‘Ik kwam aan in mijn eigen plunje, de kleren op maat lagen voor me klaar. Ik kleedde me meteen om zodat mijn ouders mijn eigen kleding weer mee terug konden nemen. Toen ik mijn nieuwe zwarte kousen aantrok, dacht ik: “O jee, mijn hele leven zwarte kousen aan!”. Tja, dat hoorde erbij als je zuster wilde worden. Maar op dat moment besefte ik dat ik een grote beslissing had genomen.’

Midden in de maatschappij
Zuster Wilhelmien werd aanvankelijk in de keuken te werk gesteld. Het actieve kloosterleven beviel wel, de orde bleek niet strenger dan noodzakelijk. ‘Ik had al snel een goede vriendin, ook novice. Dan stonden we met zijn tweeën de sokken uit te wassen van de paters en hadden de grootste lol. Praten mocht eigenlijk niet, maar daar lette dan niemand op.’

Na een paar jaar mocht ze in overleg met het bestuur de opleiding tot verpleegkundige volgen. ‘Het was normaal dat je een beroep leerde en ging werken, zodat je in missielanden zieken kon verplegen of scholen op kon zetten. Dus mocht ik gaan studeren. Daardoor duurde het ook wat langer voordat ik mijn eeuwige gelofte aflegde, in 1973.’

De opleiding bood ook kansen op persoonlijke groei. ‘Als jonge zuster zei ik in mijn spontaniteit wel van alles, maar echt een overste bekritiseren of voor mijn mening uitkomen wilde ik niet. In de verpleging leerde ik dat wel, met name in de opleiding voor maatschappelijke gezondheidszorg. Daarin kwam vooral sociale omgang aan de orde en daar heb ik echt geleerd te zeggen wat ik denk en voor mezelf op te komen. Want ik was weliswaar heel zelfstandig, maar ik was ook bang om mensen te kwetsen. In de wijkverpleging moet je dat soms wel, anders word je gebruikt. Dus dat heb ik in de opleiding geleerd.’

In 1978 was zuster Wilhelmien klaar met haar opleiding. Eigenlijk wilde ze naar de missie, maar in de tussenliggende periode was de kijk op het missiewerk sterk veranderd. ‘Was het niet beter als mensen in die arme landen zelf verpleegkundige werden? Daarom heb ik kort overwogen om een paar jaar ontwikkelingswerker te worden, maar toen kwam een kans voorbij om in Moergestel wijkverpleegkundige te worden. Dat wilde ik wel uitproberen. Ik heb veel dingen in mijn leven laten afhangen van hoe het me beviel.’

De baan bleek een schot in de roos. ‘Hier in de wijken kon ik net zo goed missiewerk doen. Het werk zelf was heel afwisselend en zelfstandig en ik stond midden in de maatschappij. Je kon echt iets voor anderen betekenen. Ik had natuurlijk de tijd aan mezelf dus mensen mochten me ook ‘s nacht bellen. Zo heb ik laat op de avond eens meegeholpen om een doodziek kindje van zes in bad te doen. Ik zie hem nog zo voor me, zoals hij zat te genieten van zijn warme badje. De volgende morgen ging ik er weer heen en toen was hij aan het overlijden. Die ouders waren me zo dankbaar.’

Helaas openbaarde zich op haar 55e een familiaire nierziekte waardoor zuster Wilhelmien niet meer mocht werken als verpleegkundige. ‘Ik heb uiteindelijk een nier gekregen van mijn zus Charlotte, waar ik haar eeuwig dankbaar voor ben. De medicijnen die ik moet slikken om afstoting te voorkomen, onderdrukken mijn afweer. Zieke mensen verplegen is dan onverstandig. Ik vond het heel erg om te moeten stoppen, want het was zestien jaar lang mijn lust en mijn leven. Via ziekte en sterven kom je heel dicht bij mensen te staan, dat vond ik fijn.’

Verrijking
Tijdens haar werk als wijkverpleegkundige had zuster Wilhelmien vriendschap gesloten met Toon, een weduwnaar. ‘Ik had zijn vrouw verpleegd en op een gegeven moment wilde hij me een dagje mee uit nemen om me te bedanken. Het dagje uit is er gekomen, maar ik heb hem toen heel duidelijk gemaakt dat ik altijd een religieuze zal blijven en nooit bij hem de boontjes zou komen schoonmaken. Toon en ik hadden een hele sterke band, maar we kwamen bij elkaar op de tweede plek. Toen hij een zware hersenbloeding kreeg, heb ik een huis voor hem geregeld met ruimte voor ons allebei. Daar heb ik best kritiek op gehad, maar ik ben altijd open en eerlijk geweest en de zusters vonden het goed. De wijkverpleging deed Toons verzorging en ik regelde alles voor hem. Dat was fijn voor Toon en een nuttig leven voor mij. We hebben elkaar bijna vijfentwintig jaar gekend, voordat hij 12,5 jaar geleden stierf. Toon was een bijzonder mens, ik heb veel van hem geleerd. Ik heb nooit gedacht dat je als religieuze zulke diepe relaties kan meemaken.’

Na het overlijden van Toon onderging zuster Wilhelmien een operatie aan haar heupen. Ze bleef mensen in de wijk bezoeken, ook toen ze geen voorzitster meer was van de Zonnebloemvereniging. ‘Er zijn zoveel mensen die zitten te wachten op een gesprekje.’ Daarnaast werd ze overste van haar congregatie. Inmiddels zijn er in totaal nog vijfentwintig Nederlandse Missiezusters van de H. Familie die bijna allemaal in Arnhem wonen. ‘Daarvan ben ik de jongste. Mijn grootste opdracht als overste is om ons gemeenschapsgevoel te behouden. Door mijn vooruitziende blik is drie jaar Blandine, een getrouwde mevrouw, als assistent-overste bij ons in dienst getreden en als ik ziek ben, kan zij alles overnemen. Eind 2015 ben ik aan mijn rug geopereerd en het herstel vergt veel tijd. Blandine blijkt een prima vervangster, ze wil vast wel de leiding nemen als ik dat niet meer kan. De zusters gaan trouwens met hun vragen ook graag naar haar. Het voordeel van Blandine is dat zij met een frisse blik en nieuwe inzichten de zusters kan benaderen. Dus behalve noodzaak is Blandine ook een weelde. Dat vind ik heel waardevol. Delegeren is dus niet alleen maar afgeven, maar ook een verrijking.’

Voor de toekomst heeft zuster Wilhelmien geen concrete persoonlijke plannen. ‘Eerst maar eens herstellen en misschien nog eens een mooie reis maken, zoals ik een paar jaar geleden met een zus van mij heb gedaan. Hopelijk kan ik de komende jaren vaker een kaartje schrijven, opbellen of bezoekjes afleggen bij al die mensen waarmee ik in mijn leven leuk heb samengewerkt en met wie ik fijn contact heb gehad.’

Zuster Wilhelmien vindt dat ze een mooi en bewogen leven heeft geleid. ‘Ik heb vooral genoten van het contact met mensen. Geen gezin of kleinkinderen hebben, is een gemis. Maar waar soep zit, kan geen pap zitten; je kunt maar één keer eten. Ik heb kunnen leven vanuit mijn eigen gevoel en zolang ik daar niemand kwaad mee doe, is dat goed. Dus ik heb als zuster een vrijheid genoten die voor anderen minder voor de hand ligt. En ik vind dat ik mijn leven goed heb gebruikt en dat ik echt mezelf ben geworden, dankzij al die ontmoetingen voor korte of langere tijd. Als ik tien of twintig jaar later was geboren, was ik misschien gaan werken bij een non-profit organisatie zoals Amnesty International om me daar met vrouwen en mannen samen voor andere mensen in te zetten. Je groeit het meeste aan elkaar, je ontwikkelt je het meeste aan elkaar. Door samen eerlijk en open te praten over je ontmoetingen met andere mensen, zowel mannen als vrouwen, te praten over wat die ontmoetingen voor mij of een ander betekenen. Dat is volgens mij de essentie van het leven, of je nu getrouwd bent of een religieuze of wat dan ook: eerlijk en open zijn. Zeggen wat je denkt en doen wat je moet doen. Dan krijgen de tien geboden of wetten zin. Maar niet de wet om de wet, dan hebben ze aan mij een slechte.’

 

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Pin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someone

You may also like...

Op de hoogte blijven? Like/volg ons. Hartelijk dank voor je waardering!