Een leven lang leren

TREF 32 Henriette 2

TREF 32 – Soms loopt het lichamelijke welzijn niet synchroon met het geestelijke. Dan is het lastig om de juiste balans te vinden. Het lukte Henriëtte Engels. ‘Ik focus me op wat ik wel kan, maar ik leg me niet neer bij mijn onmogelijkheden. Ik wil mij altijd blijven ontwikkelen. Als iemand mij vertelt dat iets me nooit meer zal lukken, dan denk ik bij mijzelf: “Ha! Dan ken je mij nog niet!”’ Een verhaal over wilskracht, doorzettingsvermogen en de kracht van onderwijs, in welke vorm dan ook.

Het is licht, ruim en helder bij Henriëtte thuis. En gezellig. Dat komt vooral door de gastvrouw zelf, die met haar gulle lach prachtig weet te verhalen, op een beschouwende en bespiegelende manier. Daarbij heeft ze een geheugen als een olifant; interessante verhalen doorspekt met gedetailleerde feiten van decennia geleden passeren de revue. Met als gevolg dat je aan haar lippen hangt en op een doodgewone middag tijdens de thee allemaal nieuwe wetenswaardigheden ontdekt. Terwijl Bo, de enorme kat van het merk Maine Coon al spinnend de sfeer vervolmaakt.

Kom maar op
Henriëtte werd in 1958 geboren in Meppel, als jongste van vier meisjes. ‘Dat je de jongste bent, bepaalt voor een gedeelte wel je karakter. Ik was heel wereldwijs. Toen ik zes was, was mijn oudste zus zestien. Ze luisterde naar popmuziek, had vriendjes en een brommer. Ik wist van nagellak en make-up en zo. Maar als jongste opgroeien heeft ook een andere kant. Je hoort constant: dat kan jij niet, dat mag jij niet, je bent nog te klein. Je moet heel erg vechten voor jezelf. Het zorgt voor een negatieve motivatie. Ik heb het nu nog. Als iemand tegen mij zegt dat ik iets niet kan, dan heb ik zoiets van: kom maar op.’

Wij vráten dat
Op de lagere school had Henriëtte de eerste drie jaar les van juf Beiaard. ‘Dat was een strenge en erg katholieke leerkracht. Ze zei dat ik juf moest worden later. Op zich was dat misschien wel leuk, maar het was tegelijk een schrikbeeld, want als je ging trouwen moest je stoppen met werken. Dat zag ik helemaal niet zo zitten.’ Toen ze in de vierde klas zat, werd het piepkleine schooltje opgeheven. ‘We gingen naar een andere, veel grotere school waar we ons helemaal verloren voelden. Tig onderwijzers in één jaar: van een beroepsmilitair die krijtjes naar je gooide tot een lieve broeder uit een klooster.’ Maar toen kwam er een nieuwe katholieke basisschool in Meppel. ‘We zaten met acht leerlingen in de klas en we kregen die laatste twee jaar les van meester Van der Hoven. En ik ben er nog van overtuigd dat hij er de oorzaak van is dat bijna al die acht kinderen later hbo of universiteit gedaan hebben. Die man had de gave van lesgeven. Toen heb ik eigenlijk al ontdekt hoeveel invloed goed onderwijs heeft op een mens. Dat maakt alle verschil. Meester Van der Hoven was jong en bevlogen. Hij bracht vanuit Den Haag de revolutionaire jaren zestig naar Meppel, die waren er tot die tijd volledig aan voorbij gegaan. Hij vertelde niet alleen, maar liet ons in groepjes projecten doen, dat was heel raar in die tijd. Hij vertelde over paranormaal begaafden en ging experimenten doen om te kijken of wij het misschien ook waren. Hij vertelde over Erich von Däniken, de schrijver die stelde dat er een buitenaardse invloed was op de prehistorie, dat soort dingen. Dat kon eigenlijk helemaal niet op een katholieke school. Hij vertelde ons gewoon dingen die niemand wist en wij vráten dat. Hij zorgde ervoor dat wij enorm leergierig werden. Geweldig wat hij allemaal voor ons gedaan heeft. Daar ben ik hem nog eeuwig dankbaar voor.’

Mammoet-wetters
De kiem tot studie was gelegd. Maar die uitte zich niet meteen op de middelbare school. ‘We waren niet zo braaf, helemaal niet. We waren echt dwars en dat kwam vooral ook door de tijdgeest van de woelige, vrije jaren zeventig.’ Henriëtte was getest voor het gymnasium, en ging naar het Atheneum. Dat was uitzonderlijk in onze familie. Mijn vader zei dat er op het gebouw Hogere Burger School stond; dat was een school voor hogere burgers en dat waren wij niet. Hij was vrachtwagenchauffeur en bracht bier, sterke drank en frisdrank bij alle cafés in de regio. Iedereen kende hem en kent hem nu nog. Hij is inmiddels 94 en gaat nog wel een poosje mee. Mijn moeder was huisvrouw. Ze was daarnaast vrijwilligster bij het Rode Kruis, dat was heel belangrijk voor haar. Ze was bijvoorbeeld bij de treinkapingen in de jaren zeventig. Ze las voor aan demente bejaarden, ging met hen naar buiten en zo. Mijn moeder had graag verpleegster willen worden, maar dan moest ze naar Leiden. Dat wilde haar moeder niet, die wilde haar graag bij zich houden in Noordwijkerhout want het was oorlog. En daar was geen verpleegstersopleiding, daar was eigenlijk niets. Ik had een hele lieve moeder, ze zorgde goed voor ons. Ik heb een fijne jeugd gehad. Ze is drie jaar geleden overleden, op 87-jarige leeftijd. Maar goed, ik ging naar het Atheneum, het Gymnasium was meer voor de kinderen van advocaten en dokters. Weet je, twee jaar daarvoor was de Mammoetwet ingevoerd. Daarvoor had je nog die hbs dus, en de huishoudschool, de ulo. Mijn zussen gingen naar die laatste twee. Maar door die Mammoetwet veranderde alles ineens. Mijn ouders moesten er helemaal aan wennen: hoezo havo, atheneum, vwo. Daar konden ze zich niets bij voorstellen. Ik zelf ook niet trouwens. De hele school moest nog wennen. Wij waren eigenlijk de eerste generatie die als arbeiderskinderen of lagere middenklasse-kinderen massaal als “Mammoet-wetters” op die school voor havo en vwo terechtkwamen. Vanaf ons jaar groeiden de nieuwe onderwijsvormen in de school, terwijl de ouderejaars nog via het oude stelsel leerden. Maar ja, de leerkrachten waren ook nog niet gewend, dus kregen we de eerste drie jaar gewoon les op de HBS-manier. Veel literatuur, veel theorie en zo, in het kader van: “Zo hebben we het altijd gedaan”.’

Hoezo stimuleren
Het was een enorme overgangsfase. ‘De school werd ineens bevolkt door een ander type leerlingen en er was wel degelijk een scheiding. Kinderen uit de hogere kringen bleven toch apart van de rest. Dan had je de kinderen van zakenlui, grote bedrijven. En vervolgens de rest. In de loop van de jaren werd dat alleen maar erger. En ik fietste daar een beetje doorheen. Ik vond het geweldig op school, dwars en recalcitrant als ik was. Ik ging van de brugklas naar twee en vervolgens drie atheneum. We hadden een vast schoolvriendengroepje van twee jongens en twee meisjes. In de derde gingen twee van hen al snel naar de havo. En toen de derde even later ook ging, zei ik: ik wil ook. En dat kon toen gewoon. Hoezo stimuleren, hahaha. Het gekste was dat we toen ook gewoon weer met z’n vieren in één klas mochten, terwijl we helemaal niet zo’n beste invloed op elkaar hadden. Maar goed. We gingen gewoon over en voor het eindexamen heb ik wel echt mijn best gedaan, ik wilde goed slagen. En dat is ook gelukt. Leuke tijd.’ Henriëtte denkt na. ‘Ik denk niet dat het anders had gemoeten of gekund. Het is gewoon gegaan zoals het gegaan is. Je kreeg wel alle kansen, maar je moest het zonder steun doen. Ik heb de havo afgemaakt en later heb ik een academische studie gedaan. Als je echt wilt dan kom je er wel. Tegenwoordig gaat het heel anders. Als ik nu op school had gezeten, had ik vwo wel gehaald, denk ik. Je werd destijds helemaal niet gemotiveerd om te leren. Ouders bemoeiden zich er nauwelijks mee.’

Zeer ontwikkeld
Terwijl Henriëtte van huis uit toch een behoorlijke mate van algemene interesse had meegekregen. ‘Mijn moeder deed moedermavo toen ze vijftig was. Ze was ook wel zeer ontwikkeld eigenlijk. Breed geïnteresseerd en ook wel slim. Dat is gekomen toen ze als zestienjarig meisje in dienst ging bij rijke mensen in Noordwijk aan Zee met zilveren bestek en bontmantels en zo. Die ontvingen vooraanstaande mensen, ook uit het buitenland. Daar heeft ze veel van opgepikt als jong meisje. Die brede interesse heb ik van haar meegekregen. We konden over echt alles open praten, er was nooit iets waarover we het niet konden hebben, behalve het geloof. Daar mocht niet aan getornd worden. “Het geloof is geen wetenschap”, zei ze dan. “Daar hoeft niets aan bewezen te worden, daarin moet je gewoon geloven.”’ Henriëtte’s moeder was tijdens de oorlog vanuit Noordwijkerhout in Meppel terechtgekomen. ‘Haar zus, mijn tante, had vier kinderen en de vijfde was onderweg, toen haar man moest onderduiken vanwege een aantal dingen die hij voor het verzet had gedaan. Hij was vanuit Meppel naar Brabant gevlucht en mijn tante had niets en zag het even niet meer zitten. Dus ze schreef haar moeder of haar zusje niet drie maanden kon komen helpen. Die kwam en is nooit meer weggegaan. Ze vond het geweldig, er was een bioscoop, je kon er dansen, dat had je allemaal niet in Noordwijkerhout. Meppel was voor haar echt een stad. Ze ontmoette mijn vader, een rasechte Meppeler, en na de oorlog zijn ze getrouwd. Maar ik heb het dus van haar, dat leergierige, ondernemende.’ Niet het gelovige. ‘Nee, gedoopt, eerste communie gedaan en het vormsel, maar op de middelbare school was het allemaal snel afgelopen.’

Terug naar school
Na de havo wilde Henriëtte graag naar de sociale academie, maar die had een stop ingesteld vanwege het overweldigende aantal aanmeldingen. ‘Dus ging ik als overbrugging de eenjarige secretaresseopleiding Pont in Zwolle doen. Dat was heftig, heel heftig! Na al die vrijheid van de middelbare school kwam je in een soort militair regime terecht! In iets meer dan een half jaar tijd moest je handelscorrespondentie leren, Nederlands, Engels, Duits en Frans, steno in al die talen, je moest leren typen en je kreeg rare vakken als wijnkennis en etiquette en zo: je leerde hoe je de trap op en af moest lopen, HAHAHAHA! En dat alles in een moordend tempo! Ik heb het wel gehaald. De meiden waren ook leuk, al moest ik wel wennen aan het diepgelovige van sommigen van hen die uit de Biblebelt-dorpjes op de Veluwe kwamen. Dat kende ik helemaal niet.’ Na de opleiding volgde toch niet de Sociale Academie. ‘Ik had inmiddels een vriendje –hij is later mijn man geworden- en een vervolgopleiding had destijds niet meer mijn prioriteit. Ik ben aan het werk gegaan, al was het economisch bekeken behoorlijk slecht toen. Eerst heb ik bij een machinefabriek gewerkt als telefoniste. Daarna werd ik een paar jaar correctrice bij een drukkerij. Ik corrigeerde wetenschappelijke Engelse tijdschriften, die over dna en rna en proefdier ratten gingen en zo. Best wel interessant eigenlijk, in die tijd: begin jaren tachtig.’ Na drie jaar maakte Henriëtte de overstap naar het ziekenhuis, waar ze secretaresse werd voor nucleaire geneeskunde en klinische fysica. ‘Na twee jaar besloot het ziekenhuis dat klinische fysica geen erkend specialisme zou worden, dus wij moesten weg. We waren met z’n vieren. De klinisch fysicus zei: dan ga ik bij de Verenigde Naties werken. Degene die de software maakte zei: nou, ik vind software wel leuk, ik ga games ontwikkelen. De derde man die de apparaten maakte zei: ik kom uit een landbouwfamilie, ik ga landbouwmachines maken. En dat ging allemaal heel makkelijk, zij hadden het voor het kiezen en hadden zo wat anders. Ik bleef over als secretaresse en werd door het hele ziekenhuis gesleept om maar ergens een plek te krijgen, dat ging heel moeilijk. Ik voelde me zo vernederd. Vreselijk. Ik dacht: wat is nou het verschil tussen hen en mij. En ik kwam tot de conclusie: zij hebben allemaal geleerd en ik ben maar secretaresse, dus ik heb geen keuze. En daarom lopen ze met mij te zeulen. Ik dacht bij mijzelf: barst maar, ik ga terug naar school. Toen ben ik de lerarenopleiding Engels gaan doen. Ik was 26, het was een hele slechte tijd, crisis, generatie niks. Men zei: waar begin jij aan, dat wordt toch niks. Maar ja, daar kwam dus mijn jongste-kind-instelling om de hoek kijken. Ik dacht: kom maar op!’

Druk druk druk
Die keuze voor de lerarenopleiding Engels kwam niet uit de lucht vallen. ‘Samen met een vriendin was ik Spaans gaan leren op een moedermavo. Dat vond ik geweldig. Ik wilde ook wel op die manier mijn geld verdienen: les geven aan volwassenen. In Spaans was geen droog brood te verdienen destijds, maar Engels was net een verplicht vak op school geworden. Dus de keuze was snel gemaakt. Tot op de dag van vandaag zeggen leerlingen tegen mij: “U héét ook Engels? En u gééft ook Engels???” Dat blijft leuk.’ Henriëtte ging met een aardige afvloeiingsregeling weg uit het ziekenhuis. Op de lerarendeeltijdopleiding koos ze behalve Engels ook Nederlands en Computerkunde. ‘Tijdens de opleiding ben ik gestart met vrijwilligerswerk Alfabetisering. We gaven gastarbeiders uit Marokko, Griekenland, Italië en destijds nog Joegoslavië les. Op een gegeven moment kwam de directrice van de Open School, het voortraject van de moedermavo, bij mij. Ze wilde dat ik bij haar Engels zou gaan geven. Vervolgens kwam er een nieuwe secretaresseopleiding in Zwolle die mij wilde aannemen. Ik was nog niet eens klaar met de opleiding. Ondertussen was de organisatie waar ik alfabetisering gaf samengevoegd tot de stichting Basiseducatie, en moest ik een extra diploma halen, Educatief Werker, om volwassenen lagere schoolvakken te kunnen geven. Dus op een gegeven moment werkte ik overdag als coördinatrice bij de secretaresseopleiding, ’s avonds gaf ik les voor de stichting Basiseducatie, ondertussen moest ik nog het laatste jaar van de lerarenopleiding doen, en daarnaast moest ik ook dat hbo-diploma Basiseducatie halen. Het was druk, dat kun je wel stellen. Maar op een gegeven moment heb ik het wel allemaal gehaald.’ Door alle studies was Henriëtte geïnteresseerd geraakt in didactiek voor volwassenen. ‘Ik kwam in aanraking met humanistische psychologie, allerlei leermethodes, strategieën, hoe mensen zich ontwikkelden: ik vond het helemaal geweldig! Het hele idee van “een leven lang leren” spreekt mij geweldig aan. Stokoude bejaarden die leren facebooken, e-mailen, foto’s bewerken, bridgen, ik vind het fantastisch hoe mensen zich blijven ontwikkelen en ik wilde daar veel meer over weten. Dus toen ben ik uiteindelijk aan de Open Universiteit een master Onderwijskunde gaan doen.’

Tranen over de wangen
Terwijl Henriëtte zich op geestelijk niveau ontwikkelde, haar kennis verbreedde en verdiepte, ging het lichamelijk minder goed. ‘Je ziet het aan mijn trippelstoel: ik ben gehandicapt’, legt ze uit. ‘Ik heb een genetische bindweefselafwijking, ik ben hypermobiel. Er is sprake van teveel ruimte tussen alle gewrichten en dat heet –niemand kent dat, al is de ziekte al honderd jaar geleden beschreven- het syndroom van Ehlers-Danlos.’ Henriëtte was veertig toen ze de diagnose kreeg. ‘Het was eigenlijk wel raar: mijn vader, mijn zus en ik liepen een tijd lang bij dezelfde orthopeed, soms waren we er op dezelfde dag en nog ging er bij hem geen belletje rinkelen. Bij de huisarts ook niet. De fysiotherapeut had al wel geconstateerd dat ik hypermobiel was. Maar het werd steeds erger en op een gegeven moment kreeg ik een hernia en kon ik niets meer. Ik woonde in een dorp en kon geen kant op. De huisarts daar dacht in de richting van de Ziekte van Bechterew, een soort reuma, maar dat was het niet. Internet maakte destijds net z’n opmars, dus ik ging eens zoeken op hypermobiliteit en ik kwam terecht op een forum dat ging over het verschil tussen hypermobiliteit en EDS (Ehlers-Danlos Syndroom) type 3. Ongelofelijk. De tranen liepen me over de wangen toen ik de symptomen las. Toen ik rondkeek in mijn familie, waar slechte knieën, zwikkende enkels, bekkeninstabiliteit en vingers uit de kom aan de orde van de dag waren, was dat wel een eyeopener. Of mijn tante had het, of mijn oom, of mijn nichtje. Het paste allemaal precies. Ik had een oom in een korset, een tante die de eerste zeven jaar van haar leven niet kon lopen, mijn vader heeft zo’n slechte rug dat de dokter zich afvroeg hoe hij nog kon lopen, noem maar op. Ik ging naar de huisarts: die zei niet veel van de ziekte te weten. De orthopeed zei: “Nee hoor, dat heeft u niet want dat is heel erg.” Uiteindelijk kwam ik bij een klinisch geneticus in het AMC terecht die heel veel van EDS wist. Hij liet me allemaal kunstjes doen, zoals de handen plat op de grond met rechte knieën en hij was meteen overtuigd.’ Er zijn veel mensen die het hebben maar de diagnose nooit krijgen. ‘Sommige patiënten hebben een hyperelastische huid die heel snel kapot is. Anderen hebben het met de aderen, die scheuren zomaar. Ik heb dus de hypermobiele versie van de ziekte. Je lijkt heel lenig, en dat ben je ook wel, maar niet op een goede manier. Je voelt in eerste instantie geen pijn. Dat komt omdat de zenuwbanen de informatie niet goed doorgeven aan de hersenen: je propriocepsis is verstoord. Je kunt niet goed inschatten waar je in de ruimte bezig bent, waardoor je gewrichten constant over hun grenzen heen gaan. Met overbelaste spieren tot gevolg, slijmbeurs- en peesontstekingen, kapotte knieën, hernia’s.’ Het is een merkwaardige ziekte. ‘Ik was wel lenig, maar tegelijkertijd ook een stoethaspel, want ik struikelde over elk boomworteltje en viel van elke stoep. Mensen noemden me onhandig en ook een piepkont.’ Rond diezelfde tijd kreeg Henriëtte nog een secundaire diagnose. ‘Ik heb ook fybromyalgie. Pijn in de spieren, pijn in het bindweefsel. Vroeger wist ik helemaal niet wat bindweefsel was, laat staan dat het pijn kon doen. Nu weet ik wel beter.’

Onvoorspelbare ziekte
‘Je leert omgaan met de ziekte’, vertelt Henriëtte. ‘Je hebt elke dag pijn, en elke dag is het ergens anders. Aan de ene kant ben je blij dat je eindelijk weet wat je hebt, aan de andere kant is het wel heel erg definitief. Daarbij ben je bang dat het erger wordt. Maar dat is bij mij niet het geval, omdat ik tegenwoordig bij elke beweging nadenk. Je moet oppassen met overbelasting. Een professor in Groningen vertelde me dat ik niet meer dan 1 kilo tegelijk mocht optillen. Maar ja. Dat is dus een fles cola!’ Het lastige van de ziekte is de onvoorspelbaarheid. ‘Als ik ’s avonds uitga, moet ik de dag daarna vrij plannen. Want het kan zijn dat je me dan opveegt. Het kan ook zijn dat ik nergens last van heb. Maar daar moet ik niet van uitgaan. Ik kan dus niet overdag lesgeven en ’s avonds nog wat anders doen. Het betekent dat ik heel veel moet laten. Gelukkig zijn er tegenwoordig computers en mijn iPad, die hobby’s kosten weinig lichamelijke energie. Ik zoek alles op, ik luister muziek, ik leer Italiaans, ik volg de beurs. Het is inmiddels wel bijna een verslaving, die iPad. Verder geef ik nog zes uur per week Engels bij Zorg en Welzijn op het Drenthe College. Nederlands of ict niet meer. Soms voel ik me wat ict betreft wel stokoud hoor, ik heb de Commodore 64 nog opgebouwd zien worden. Maar het heeft ook z’n voordelen: ik weet hoe het werkt. Tegenwoordig moet je leerlingen uitleggen hoe ze een zoek geraakt bestand kunnen opzoeken, hoe de structuur van een computer in elkaar zit. Hoe je google op een efficiënte manier gebruikt. Dat weten heel veel van die jongeren helemaal niet.’

Fietsend over de hei
Henriëtte heeft een balans gevonden, ze vecht niet meer tegen de ziekte. Maar dat ging niet vanzelf. ‘Voordat je accepteert dat je niet beter wordt moet er wel wat gebeuren. Toen ik veertig was, kon ik niks meer. Ik kon mijn zoontje van zes niet eens meer optillen en geen 25 meter meer lopen. Ik had een opvouwbaar scootmobieltje, maar op een gegeven moment kon ik de accu daarvan zelfs niet meer optillen. Niets ging meer. Ik lag alleen nog maar in bed voor het raam en ik wilde juist zoveel. Ik ging na de hernia revalideren en onderdeel was een stukje Gestalttherapie waarin ik al stompend op een kussen afscheid moest nemen van mijn gezondheid, onder het mom van: “Het wordt alleen maar slechter, mevrouw”. Concreet voorbeeld daarbij was dat ik nooit meer over de hei zou fietsen, iets wat ik zo graag deed. Ik stompte op dat kussen en ik dacht bij mijzelf –jongste kind dat ik daar ben-: “Ha! Dan ken je mij nog niet!”. En ik zal je vertellen: twee jaar later fietste ik met mijn klas en een collega over diezelfde hei. Ik was zo gelukkig!’ Henriëtte had zich er op een geheel eigen manier bij neer gelegd. ‘Ik besloot, mede dankzij het boek “De pijn de baas”, van psycholoog Frits Winter, niet langer te vechten, maar ermee te leren leven. En dat betekende een ommekeer. Ik stelde grenzen, zei steeds nee tegen mezelf, maar liet me toch niet alleen leiden door wat ik níet kon. Ik maakte als het ware een spirituele reis om te ontdekken wat ik wél wilde en kon. Als je daarin je balans kunt vinden, kom je een stuk verder. Haptonomie en mindfulness hebben me daarbij veel geholpen. Je moet realistisch zijn en kijken naar je mogelijkheden. Accepteren dat je bepaalde dingen niet kan, maar je daarbij niet neerleggen. Ik blijf altijd streven naar vooruitgang. Anders had ik niet meer op die hei gefietst. Het scootmobieltje heb ik weggedaan, dat heb ik niet meer nodig. Ik doe nu veel meer dan tien jaar geleden!’

Haptonomie voor gevorderden
‘Eenmaal per week doe ik oefeningen in warm water. Tweemaal per week wandel ik minimaal 500 meter. Om de dag fiets ik twee of drie kilometer. De ene keer gaat het beter dan de andere keer, maar ik ga vooruit.’ Afgelopen zomer kwam Henriëtte via de fysiotherapeut in contact met Quantum Touch. ‘Het is een soort haptonomie voor gevorderden waarbij het draait om energiestromen in je lichaam en goed ademhalen. Zo liet ik bijvoorbeeld mijn scheve bekken wel eens rechtzetten door een manueel arts. Dat was eng, want omdat daar kracht voor nodig is, deed hij dat op een voor mij harde manier. Ik kwam bij degene die Quantum Touch in Nederland geïntroduceerd heeft, en zij vertelde dat het helemaal niet zo hardhandig hoefde. En met een paar minuten de handen op de betreffende botten lukte het haar op een hele zachtaardige manier. Quantum Touch is geweldig.’

Ondanks dat blijven er altijd de mindere dagen. ‘Als ik ’s nachts met Bo de kat op de bank zit omdat ik niet kan slapen van de pijn, voel ik me soms wel eens depri. Maar verder ben ik altijd optimistisch. Ik heb mijn werk, mijn man, mijn zoon die hier in de buurt woont. En ik heb mijn hobby’s natuurlijk. Dat is niet alleen filmpje kijken, boekje lezen en computeren, ik hou me bijvoorbeeld ook bezig met NLP, een methode waarbij je aansluit op dat wat je in de ander ziet. Dat is heel goed te gebruiken in het onderwijs. Verder doe ik aan stamboomonderzoek. Op en via internet kun je een heel eind komen. Wij zijn al teruggegaan naar ongeveer 1600. Ook heb ik verschillende vriendinnenclubjes. Met het ene clubje ga ik geregeld uit eten, met een ander clubje ga ik naar jazz- en bluesconcerten in de omgeving. Ik ga ook graag de natuur in. Mijn man en ik hebben een kano: hij peddelt, ik fotografeer, want dat is ook een hobby. Ja, het gaat goed met mij. Een revalidatie-arts heeft me wel eens gevraagd of ik niet een toespraak wilde houden over mijn aanpak. Die is echt gebaseerd op dat “leven lang leren”. Ik wil me voortdurend blijven ontwikkelen. Zo kom je altijd verder. Misschien word ik nog wel oud en wijs.’

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Pin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someone

You may also like...

Op de hoogte blijven? Like/volg ons. Hartelijk dank voor je waardering!