Een knip van de vinger

TREF 34 Henri 2TREF 33 – Henri Ringeling heeft in zijn 52-jarige bestaan vaak moeten zien hoe fragiel de grens tussen gezond en ziek is, hoe de mens voortdurend balanceert op het dunne draad tussen voor- en tegenspoed. Daarom gooide hij zo’n tien jaar geleden het roer helemaal om. Hij nam na 25 jaar ontslag als administrateur en begon zijn eigen bedrijf Historing. ‘Je moet genieten van de dingen, doen waar je altijd van gedroomd hebt. Niet volgende week, niet overmorgen, maar vandaag.’

Henri is een multitasker. Terwijl hij vertelt over zijn leven, zijn ervaringen en zijn passies, houdt hij monitoren in de gaten, verwisselt hij mini-DV’s en DVD’s en staat hij af en toe klanten te woord. Hij heeft het druk met zijn bedrijf Historing, dat oude geluidsbestanden en films digitaliseert. Niets is te gek: 8 mm films, alle soorten videobanden, mini-DV’s, cassettes, dia’s, bandrecordertapes, minidisks, foto’s, grammofoonplaten: u roept, Historing draait. En dit is nog slechts een onderdeel. Henri richtte het bedrijf in eerste instantie vooral op om nostalgische shows en interactieve historische filmvoorstellingen te gaan verzorgen. En die droom is langzamerhand uitgekomen: dit jaar organiseerde hij bijna vijftig shows en voorstellingen door het hele land. Henri vertelt hoe hij hier zijn hele leven eigenlijk naar toe gegroeid is.

Anti-plak
‘Ik ben opgegroeid in Drogteropslagen, het meest zuidelijke dorpje van Drenthe, dat van Overijssel wordt gescheiden door riviertje de Reest, dat tussen Dedemsvaart en Slagharen begint en op de grens van de twee provincies naar Meppel meandert. Zevenhonderd inwoners, een café en een fietsenmaker waar je altijd alles kon krijgen. Het was een fijne jeugd. Ik ben wel een dorpsjongen, nog steeds wel. Nu woon ik in de stad, maar ik zou ook zo in een plaggenhut op de hei willen wonen. Ja, ik kijk terug op een leuke jeugd, ondanks alles. Ik was wel heel erg op mezelf, dat komt misschien omdat ik in het begin van mijn leven veel ziek ben geweest. Voor mijn tweede jaar lag ik al acht keer in het ziekenhuis. De uitgang van mijn maag was vernauwd, ik had veel last met mijn oren. Door alle gedoe was ik wellicht wat eenzelvig geworden. Als er kinderen kwamen, dan ruimde ik al mijn autootjes op, daar mocht niemand aankomen. En ik kon ook niet aarden op de kleuterschool. Na zes weken had ik het er wel gezien, ik functioneerde gewoon niet meer. Vreselijk, vond ik het. Dat plakken, dat knippen en dat prikken met zo’n kussentje, dat was totaal niet aan mij besteed. Er zat een rotjochie bij mij in de klas, waar de juf haar handen vol aan had, en ik kon daar helemaal niet tegen. Mijn moeder heeft me in overleg met de huisarts thuisgehouden. Ik weet nog dat juffrouw Lucy een keer langskwam en al toen ik haar rode sportwagen de dam op zag rijden, kroop ik helemaal weg bij mijn moeder op schoot. Ik was als de dood dat ik er weer heen moest.’

Werkt dat zo!
‘Het zat hem in de andere kinderen. Ik was geen mensenmens, ik was verlegen en ik kon niet tegen brutale klasgenoten die met veel bravoure de sfeer bepaalden. De lagere school vond ik ook erg, maar toch was het daar anders. Want daar was juffrouw Baron, een al wat oudere lerares die de kinderen goed de baas kon, waardoor het rustig en ordelijk in de klas was. Ze pakte het heel tactisch aan. Zo kwam ik in de eerste week al in de knoop met rekenen. Ik snapte gewoon niet wat twee plus vijf was, ik wist niet wat dat inhield, wat er bedoeld werd. Juffrouw Baron liet me op een vrijdagmiddag een keer even blijven, en toen had ze wat blokjes neergelegd. “Kijk”, zei ze. “Dit zijn twee blokjes. Nu doen we er vijf bij. Hoeveel blokjes zijn dat nu samen?” “Zeven”, zei ik en ik dacht: Ooooo! Werkt dat zo! Ik moest het gewoon even doorhebben. Toen was het klaar. De lagere school ging verder goed. Geschiedenis en aardrijkskunde vond ik leuk, wereldoriëntatie en werkstukken daarvoor maken vond ik helemaal fantastisch. Ik was heel leergierig, ik keek veel televisie, ving alles op, leerde heel gemakkelijk. Na de lagere school ging ik naar de mavo in Dedemsvaart. Daar ging iedereen in de buurt heen. Maar het was een eind fietsen, ik hield het niet vol. Ik had bloedarmoede, was broodmager en het was elke dag in totaal iets van tien kilometer. In die tijd kreeg mijn moeder last van reuma: een huis met centrale verwarming zou beter zijn voor haar. Twee redenen om te verhuizen. We vertrokken naar Dedemsvaart.’

Mijlpaal
‘Het klinkt misschien niet zo, maar toch heb ik voor mijn gevoel inderdaad een gelukkige jeugd gehad. Ik was bijvoorbeeld gek van voetbal, daar stond ik mee op en daar ging ik mee naar bed. Ik gaf ook altijd voetbaltraining rond mijn huis aan jongere jongens. Dan liet ik ze rondjes lopen en koppen en zo. We waren altijd aan het voetballen op het pad naast ons huis. Als ik een nieuwe broek kreeg, had ik na een week al knielappen. Wie weet komt het omdat die jongens jonger waren. Ik had moeite met leeftijdgenoten. Totdat ik in de tweede klas van de mavo zat. Het was een legendarische gebeurtenis, een mijlpaal in mijn leven, ik weet het nog als de dag van gisteren. Het ging niet goed met de cijfers, ik stond zeven onvoldoendes en wist al dat ik niet over zou gaan. Ik zat in een “lastige” klas en dat kwam vooral door een stel van die stoere jongens, die de boel constant terroriseerden en voor de lol leerlingen in elkaar sloegen. We hadden een repetitie Frans en daarna zouden we voor biologie naar buiten gaan, naar het Colenbranderbos. Ik hoorde de stoere jongens van te voren alweer plannen beramen. En toen dacht ik bij mezelf: we zullen eens zien wie er van wie onder de indruk is, en wie er het eerste in het Colenbranderbos is. De leraar Frans deelde de proefwerken uit, ik vulde mijn naam in, zette bij alle vragen een streepje en leverde het weer in. Hij zei: “Dat is snel”. En ik legde uit dat ik het niet geleerd had. Hij keek mij aan en liet me toen vertrekken. Ik was de koning te rijk, want dat was toch wel heel erg stoer wat ik deed, bij zo’n strenge leraar. Toen de terroriserende jongens naar buiten kwamen zei ik: schiet op, gaan jullie mee naar het Colenbranderbos. En dat deden ze. Ze waren helemaal van mij onder de indruk. Ik heb nooit meer last van hen gehad en ook niet van anderen in andere situaties. In één klap was ik van mijn verlegenheid af en ik heb me nooit meer laten koeioneren. Ik kreeg greep op mijn leven, het was klaar. Vanaf dat moment deed ik waar ik zin in had en ik werd bijvoorbeeld ook een echte meidengek. Wel heb ik die tweede klas nog een keer moeten doen. Maar uiteindelijk heb ik zonder veel moeite de mavo afgemaakt en vervolgens ben ik naar de meao gegaan.’

Zekerheid
‘Op zich was die keuze voor de meao niet geheel vanzelfsprekend. Ik hield van schrijven en was daar ook goed in. Voor een stijlopdracht voor het examen haalde ik een 9,7 evenals een goede vriend van mij. Hij ging naar de School voor Journalistiek, maar ik koos in overleg met mijn ouders toch voor zekerheid in de vorm van een administratieve baan. Want het waren moeilijke en onzekere tijden destijds, in de jaren tachtig van de vorige eeuw. De meao-jaren zijn mijn mooiste schooljaren geweest. Ik heb nog steeds een goed contact met veel klasgenoten. Na de meao ben ik eerst in militaire dienst gegaan en vervolgens meteen aan het werk, op de administratieve afdeling bij de gemeentelijke Sociale Dienst. Van de 220 sollicitanten werd ik met nog drie anderen aangenomen. Een van de redenen was dat ik op atheneumniveau werd getest. Een andere reden was dat ik me van te voren telefonisch had voorgesteld. Mijn vader zei altijd: “Bel, dan horen ze in ieder geval je stem en weten ze wie je bent.” Bij de gemeente Zwolle heb ik ongeveer vijfentwintig jaar gewerkt.’

Vader en zoon
‘Over mijn vader gesproken: hij was iemand van twaalf ambachten, dertien ongelukken, zo was hij bijvoorbeeld een tijdlang vrachtwagenchauffeur, ik ging nog wel regelmatig met hem mee. Maar op een gegeven moment werd hij overspannen. Het was vroeger heel zwaar voor mijn ouders. Ik had alleen een oudere zus, we waren met z’n tweeën, maar we hadden met z’n zessen kunnen zijn. Mijn zus is in 1958 geboren. In 1959 kwam er een ouder broertje die maar tien dagen heeft geleefd. In 1961 werd een kindje dood geboren. En na mij kwamen er nog twee, in 1970 de laatste. Het heeft iets met het bloed te maken, er was destijds maar weinig over bekend en er werd ook niet veel over gepraat. Mijn moeder leed er niet zichtbaar onder, zij sloot iets af en ging dan verder. Ik heb dat ook: niet te lang met de dingen zitten, maar gewoon doorgaan. Maar mijn vader kon het niet aan. Die werd overspannen. Een groot gedeelte van mijn jeugd wist ik niet anders. Ik wist wel dat mijn pa mijn pa niet was, maar ik was een kind, ik speelde buiten. Hij heeft een jaar of zeven gesukkeld en toen kwam hij in 1977 in de werkvoorziening terecht. Daar werkte hij in het groen en in de kassen, en had hij het fantastisch naar zijn zin. Dat was denk ik wel de leukste periode voor ons gezin. Maar op zijn 49ste, ik was toen vijfentwintig, kreeg mijn vader een zware hersenbloeding. In het ziekenhuis kreeg hij twee weken later een tweede eroverheen. Hij is toen op de gok geopereerd: ze konden op de foto’s vanwege het bloed niets zien, maar ze durfden niet meer te wachten. Die operatie is geslaagd. Na zes weken kwam hij uit het ziekenhuis, hij woog nog maar 39 kilo. Maar hij sterkte door goed eten al snel weer aan. Hij klom op de fiets en ging van alles doen. Tot hij twee keer een epileptische aanval kreeg en er vervolgens hersenvocht langs het ruggenmerg ging lekken. Dat schijnt normaal helemaal niet te kunnen, maar bij hem gebeurde het dus wel. Bovenin de rug gingen zich daardoor cysten vormen. Driemaal hebben ze die weg geschraapt, maar ze kwam steeds weer terug. Na 1994 hebben ze hem niet meer geopereerd en in 1999 kreeg hij een dwarslaesie. Hij kwam in een verzorgingshuis terecht. Hoe ik naar hem keek? Eigenlijk is dat heel makkelijk samen te vatten: eerst was hij de vader en ik de zoon, maar na de hersenbloeding was hij de zoon en ik de vader. Zo zeg ik het altijd en zo heb ik het ook een keer tegen hem gezegd, want ik had er wel moeite mee. Hij was diep beledigd en we hebben twee weken geen contact gehad. Hij vertelde het aan zijn neuroloog en die zei dat ik in wezen wel gelijk had en dat mijn vader maar weer snel contact met me moest opnemen. Toen hebben we het uitgepraat. Ik heb het nog eens een keer uitgelegd en hij gaf me gelijk. Ik heb hem vaak bezocht in het verzorgingstehuis. In 2004 is hij overleden.’

Oordelen
‘Mijn zus was vijf jaar ouder dan ik, een totaal ander type. Ik stap overal op af en laat me door niets en niemand stoppen, zij was juist het tegenovergestelde. Angstig, altijd maar bedenken wat een ander ervan zou vinden. Ze vond dat ik er maar op los leefde. We hadden niet zo’n goede band eigenlijk. Maar in 2003 werd ze ziek, ze had een hersentumor. Ik weet nog dat we een tijd later hier een keer buiten zaten, en toen verweet ze me weer van alles. “Jij doet maar wat”, zei ze. Zo deed ze dat, ze had altijd haar oordeel over iedereen klaar. En toen zei ik: “Je moet mij niet verwijten dat ik van het leven geniet. Wil je eens weten hoe ik over jou denk?”. En toen heb gewoon verteld, hoe ik respect had voor de dingen die zij op haar manier deed. Hoe ik best heel geïnteresseerd in haar was, ook al dacht ze van niet. Op het laatst liepen de tranen over haar wangen, ze wist niet hoe ze het had. Ze had het allemaal nooit geweten omdat ze van te voren al had ingevuld hoe anderen en ook ik over haar zouden denken. Een jaar later, twee jaar na mijn vader, overleed ze, op 47-jarige leeftijd. Die laatste jaren was de band tussen ons beter dan ooit. Mijn zwager is later opnieuw getrouwd, maar hij heeft nog een grote foto van haar in de kamer en hij gaat eenmaal per twee weken naar haar graf. En nu is alleen mijn moeder er nog. Ze is 76 en ze is dement. Vier jaar geleden werd ze steeds vergeetachtiger en dat ging heel snel. Ze wist niet meer hoe ze het licht uit moest doen, en dan draaide ze de lamp er maar uit en bracht die naar de buren. Of ze stond in de lift en wist dan niet meer wat ze moest doen. Ik zei dat ze de huisarts moest bellen, maar ze wist niet meer wie haar huisarts was. Nu zit ze alweer tweeënhalf jaar op een gesloten afdeling. Ik ga er eenmaal per week heen. Ze kent me nog wel een beetje, hoewel ik volgens haar inmiddels haar broer ben. Maar ze is op een heel vrolijke manier dement, het is een feest om erheen te gaan.’

Kwaliteiten
‘Ondertussen had ik carrière gemaakt bij de gemeente, en ik was getrouwd. In 1988 ontmoette ik mijn ex, in 1991 trouwden we, en in 1994 zijn we gescheiden. Ze bleek een borderliner te zijn, haar emoties vlogen alle kanten op, en daar kwam ik pas na het huwelijk achter. Het was een hel. Na de scheiding heb ik haar nog een half jaar begeleid. Op het laatst kwam ze op een psychiatrische afdeling van het ziekenhuis terecht. Toen ze daar een weekend naar huis mocht en eiste dat ik dan op haar zou passen, was de maat vol. Ik zei dat als ze zichzelf niet vertrouwde, ze gewoon niet op weekend moest gaan. Toen stuurde ze me weg: ik was geen echte vriend. Later hoorde ik dat ze tegenover anderen had toegegeven dat ze te ver was gegaan. Maar ik heb haar vanaf toen jaren niet meer gezien. Het ging me niet in de koude kleren zitten, ik ben destijds een half jaar uit de roulatie geweest. Ze had me helemaal leeggezogen. Je gaat de schuld bij jezelf zoeken, vraagt je af of je wel geschikt bent voor relaties, dat soort dingen. Uiteindelijk wist ik weer uit die put te klimmen. Door haar was ik wel in contact gekomen met haar volleybalvereniging in Dedemsvaart. Ik was voorzitter geworden van de supportersvereniging, schreef stukjes, eerst voor het interne blad en later ook voor Boom Pers. Uiteindelijk deed ik sportverslagen voor de lokale omroep en van lieverlee kwam ik in de radiojournalistiek terecht. Ik versloeg het nieuws en gemeenteraadsvergaderingen, ik interviewde Louis van Gaal tijdens een oefencampagne van Ajax tegen Genemuiden en ik sprak zelfs een jong broekie dat Patrick Kluivert heette. Daarna ben ik ook begonnen met nostalgische muziekprogramma’s presenteren, daar en bij andere omroepen. Daar kon ik mijn passie voor muziek en het verleden in kwijt. Mijn schrijverskwaliteiten kon ik later ook bij mijn “echte” baas kwijt, waar ik na een PR-studie me een dag per week ging verdiepen in de interne communicatie.’

Klik
‘In 1996 kwam ik door mijn werk Anja tegen, mijn huidige vriendin. Ik herkende haar naam als contactpersoon voor een afdeling waarvoor ik de verlofkaarten bijhield. Ooit had ik een keer met haar en mijn ex-vrouw gezwommen bij de Bonte Wever. Dus ik belde haar op en we ouwehoerden wat. Ze ontdekte dat ik gescheiden was en besloot er volgens mij toen maar eens werk van te maken. Dus we maakten weer een zwemafspraak. Acht jaar na de eerste afspraak. En het ging goed. Ik moest nog een “blind date” die verliefd op me was geworden en me een enorme bos bloemen stuurde uitleggen dat het niets zou worden en toen was de weg vrij voor Anja en mij. Het weekend na het zwemmen bedacht ik ineens dat ik haar moest bellen. Ik belde en ze vertelde me dat ze meteen toen de telefoon ging wist dat ik het was. Heel apart. We hadden gewoon een klik. En zo is het begonnen. Anja heeft ook het nodige meegemaakt. Ze heeft een aangeboren hartafwijking en drie keer een openhartoperatie gehad, in 1991, 1997 en 1998. In 1997 kreeg ze een donorklep, maar door een bacteriële infectie ging dat niet goed. In 1998 kreeg ze een kunstklep. Dat gaat nu prima. In eerste instantie niet, omdat ze toen meteen weer hele dagen ging werken. Dat kon helemaal niet. Ze werkte of ze sliep, ze had helemaal geen tijd meer voor een relatie of een sociaal leven. Nu is ze gedeeltelijk afgekeurd en werkt ze halve dagen. Dat is veel beter. Maar we moeten wel blijven oppassen. In 2012 heeft ze een hartinfarct gehad. Dat schijnt ondanks alle bloedverdunners dan toch nog te kunnen. En ze heeft waarschijnlijk ook wel eens een hersenbloedinkje gehad. Ze heeft vaker last van migraine, maar die keer was het anders: nekpijn, misselijk. Volgens de huisarts was het een hersenbloeding geweest, maar in het ziekenhuis konden ze het niet meer achterhalen.’

Iets nieuws
‘Alle dingen die je meemaakt, vormen je. Sterker nog: door al mijn ervaringen ben ik met mijn eigen zaak begonnen. In 2005 liep ik van de een op de andere dag vast. Op een gegeven moment kreeg ik last van het feit dat er heel veel interne controle was. Ik had het idee dat ik meer voor die controle bezig was dan dat ik daadwerkelijk administratief werk deed, en toen liep ik op gegeven moment vast. Van het ene op het andere moment. Ik had net nog een gesprek met de baas gehad, die was dik tevreden. Maar op een gegeven moment sliep ik niet meer. Ik werd helemaal hyper en ik raakte helemaal op. De baas vond dat ik maar eens met maatschappelijk werk in gesprek moest. We dachten dat het misschien door alle gebeurtenissen van de afgelopen jaren kwam, met Anja, mijn vader, mijn zus. Het was ook allemaal niet niets. Maar al na een kwartier zei de maatschappelijk werkster dat er iets anders aan de had was: ik was volgens haar toe aan iets nieuws. Ze stuurde me naar het loopbaancentrum. Door de gesprekken daar ontdekte ik dat ik het liefste wilde gaan optreden in zorginstellingen. En daar ben ik sindsdien voor gegaan. Toen een oude kennis vertelde dat er geen droog brood in te verdienen was, ben ik ook met de andere werkzaamheden begonnen. Een zwager van mij vroeg of ik oude super 8 films kon omzetten, een ander kwam met oude cassettebandjes, en van lieverlee groeide die tak van mijn bedrijf heel snel. Bij sessies van de Kamer van Koophandel leerde ik dat de ‘gunfactor’ belangrijk is: als je het werk met passie doet, kwaliteit levert en er voor gaat ziet een klant dat. Dat genereert werk en dat gaat me goed af. Ik heb een website gemaakt en ik adverteer. In eerste instantie heb ik nog twee dagen per week bij mijn oude baas erbij gewerkt, maar al snel heb ik helemaal ontslag genomen. De optredens lopen nu ook fantastisch. Ik had er dit jaar 48, dus dat is gemiddeld bijna elke week een optreden. Soms in Maastricht, soms in Zeeland en soms ook hier om de hoek. Het zijn verschillende soorten optredens. “Stappen in het verleden” is interactief. Dan vraag ik de patiënten in een zorginstelling bijvoorbeeld wie er nog rookt. En of dat nog wel kan binnen die organisatie. En dan laat ik zien hoe het vroeger heel normaal was en dat er zelfs sigarenrookwedstrijden waren: wie de langste askegel had. Dat soort dingen. Maar ik doe ook “muziek nostalgiek”, dat is puur muziek presenteren. En ik kan ook een mix van beide doen. Verder verzorg ik nostalgische discoshows op bruiloften en partijen, op je feest terug gaan naar de jaren 60, 70, 80 of 90, wat maar gevraagd wordt. Ik ben geheel zelfvoorzienend. Hele auto vol en dan op pad. Ik pas de programma’s desgewenst op thema’s aan, of op het jaargetijde bijvoorbeeld. Voor ieder wat wils.’

‘We genieten van het leven, Anja en ik. Want we beseffen heel goed dat het duurt zolang het duurt. Door alles heb ik geleerd dat de dingen in één knip van de vinger voorbij kunnen zijn. Dan kun je niks meer. En als je dan nog wensen hebt, ben je mooi te laat. Je moet genieten van de dingen, alle dagen. En dat doen wij. Elk jaar gaan we naar Griekenland, en als het aan mij ligt, gaan we daar ooit nog eens wonen. Maar ondertussen gaat het hier ook uitstekend. Weet je, het is allemaal nog veel mooier geworden dan ik verwacht had. Ik voel me gelukkig met wat ik doe en ik ben heel blij dat ik de sprong naar “Historing” heb gewaagd. En nu heb ik alweer een nieuw idee in mijn hoofd, maar daar geef ik nog niets over prijs. Wordt vervolgd, zou ik zeggen!’
Kijk voor meer informatie op: www.historing.nl

Share on FacebookTweet about this on TwitterShare on Google+Pin on PinterestShare on LinkedInEmail this to someone

You may also like...